maandag 2 april 2012

1 april

Gisteren is Tristan naar zijn vader verhuisd. Ze wilden dat al heel lang en het leek ons niet goed om die wens in de weg te staan.

We hebben er lang naartoe geleefd. De verhuizing is zelfs een jaar uitgesteld, maar gisteren werd een verzameling van dertien jaar speelgoed, kleding en andere spullen door Tristan met zijn vader opgehaald.

Eline moest de afgelopen weken veel huilen. Twee dagen voor de verhuizing werd ze zelfs ziek: vocht achter het oor, waardoor ze een evenwichtsstoring kreeg. Ik kon er alleen maar iets symbolisch in zien; er moet een nieuwe balans worden gezocht.

Ik zag de verhuizing aanvankelijk vrij zakelijk: jammer dat hij gaat, maar hij wil het graag en hij kan zijn puberteit lekker met zijn vader uitvogelen. Ik begon me al te storen aan zijn groeiende onverschilligheid. Eline: ‘dat is een manier om afstand te nemen van zijn leven hier’. Ik: ‘dat is vergoelijkende moederretoriek, hij begint gewoon te puberen’.

Waarschijnlijk is beide waar.

Maar gisteren was dus het uur van de waarheid: Tristan kwam samen met zijn vader zijn broertje terugbrengen na het papaweekend en ging daarna weer weg. Ze waren nog niet vertrokken of Mathijs barstte in snikken uit. Eline idem dito. Zusje Bente stond er een beetje onwennig naar te kijken.

We hebben elkaar allemaal even vastgehouden.

Toen moest het leven door: tassen uitpakken, voorlezen, naar bed. Alleen Jeltje, onze poes, liep nog onwennig mauwend door de lege kinderkamer.

Het was 1 april. Maar niet erg grappig.

vrijdag 20 januari 2012

Lijnen door de tijd


‘Het was leuk, maar het duurde te kort’, zei iemand toen slechts een select groepje achterblijvers rond twaalf uur de avond evalueerde. Hoewel de spreker vond dat wij meer tijd voor de reünie uit hadden moeten trekken, zakte ik met een tevreden gevoel in mijn stoel. We waren zes uur verder. Leuke dingen moeten lang duren, maar als ze te lang duren, zijn ze niet meer leuk.

Het was geweldig om iedereen weer te zien. Twintig jaar voorbij en toch leek het alsof we zojuist nog samen een roze koek hadden gegeten in de kantine. Docent Van Haperen leefde voort als de leraar die ons had vermaakt met de ontploffing van een opstelling reageerbuizen en erlenmeyers. Mevrouw Slingerland was opnieuw het centrum van hilariteit nu tafels – die ondertussen allang roemloos op een onbekende vuilnisbelt liggen te beschimmelen - in de herhaling opnieuw met pindakaas werden beplamuurd.

De prille liefde voor een klasgenote die een tafel verder nietsvermoedend zat te keuvelen met andere oud-klasgenoten werd door een buurman uit de mottenballen gehaald. De eerste roemrijke dronkenschap tijdens een schoolreis - die door vele onopgemerkte bacchanalen zou worden gevolgd – werd opgediept uit het collectieve geheugen.

Wij voelden ons ingebed in een gezamenlijk verleden. Terwijl de tijd ruw en onvoorspelbaar voortschreed, herleefde een veilige, afgebakende periode waaraan nooit meer iets kon veranderen. Alles zou daar voor altijd het zelfde blijven. Iedereen was ondertussen iemand anders, maar die gedeelde voltooid verleden tijd lag daar ingebed in de diepe kleilagen van ons bewustzijn.

Ok, het is waar: het duurde te kort.


zondag 1 januari 2012

37

Het gaat beter dan ooit;
puberteit: eindelijk over!
Een feestje waard,
maar dat past niet meer.

Rust, reinheid, regelmaat:
ik kom tot dingen!
... ik werk en fiets
met kinderen op-en-neer.

Net maakte mijn hart een hupje.
'Mijn God, is er iets mis?!'
Ik zag alleen een heerlijk meisje...

Als dat de midlife crisis maar niet is!

maandag 21 november 2011

Ik moet helemaal niks!

Een niet nader te noemen oud-collega op een niet nader te noemen scholengemeenschap vertelde, dat hij een keer zijn bomvolle postvak zonder te kijken in een vuilnisbak had gekieperd.

Heb ik ook wel eens zin in.

Hoeveel mailtjes ontvang ik niet waarop men antwoord verwacht? Hoeveel ‘belangrijke’ informatie stapelt zich niet op in mijn postvak? Dingen die ik móét lezen en waar ik op móét reageren…

Ik denk wel eens: als ik al zo veel moet, hoeveel moet de directeur dan, hoeveel moeten ministers en hoeveel moeten presidenten? Komen die mensen überhaupt nog aan iets zinnigs toe als ze zo veel moeten? Is er nog ruimte om iets te willen?

Al dat moeten, is niet goed. Daar ben ik van overtuigd; er zou minder moeten worden gemoeten. We worden er willoze radertjes van. Verleren het om zelf na te denken. Komen niet meer aan dingen toe die écht nodig zijn.

Kijk maar om je heen.

Die oud-collega die zijn postvak leegstortte, zette me echt aan het denken. Vooral wat hij erbij zei: “Ik heb er nooit problemen mee gehad; helemaal zero. Er zat niks belangrijks tussen; niemand zei ooit dat ik iets had gemist!”

maandag 8 augustus 2011

Alc.h.l

Ik liep met een vriend door de stad toen hij een oud-collega tegenkwam. Een sympathieke kerel die er evenwel nogal onverzorgd uitzag en een flinke dranklucht verspreidde. Uiterlijk en geur correspondeerden aardig met het verhaal dat hij tegen mijn goede vriend begon te vertellen. Het was een treurig relaas over zijn ontslag en de vruchteloze zoektocht naar werk die daarop was begonnen.

Mijn kameraad was erg begaan met zijn lot en luisterde aandachtig. Ik vond de sarcastische wijze waarop de mislukkingen werden geëtaleerd vooral amusant. Maar dat ik op een bepaald moment in lachen uitbarstte, ging waarschijnlijk te ver. Mijn vriend keek me een beetje verwijtend aan. Ik kon er niks aan doen. Het kwam door de tekst op het T-shirt van de man:



Veenendaal

Mijn polyglottische vriend Rick was op bezoek. Zijn telefoon ging en er volgde een gesprek in een onbekende, exotische taal.

“Wie was dat, Rick?” vroeg ik.

“Een vriend. Een Grieks Orthodoxe Jood uit Albanië.” antwoordde Rick.

“Belde hij uit Griekenland, Israël of Albanië?” wilde ik weten.

Rick: “Uit Veenendaal.”

vrijdag 3 juni 2011

Ik ben er nog - Ondanks Scientology

Het waren zware tijden. Ik was zeventien, net van school gestuurd en ik leefde op gespannen voet met mijn ouders. Mijn goede vriend Erik had het thuis ook niet al te knus en was zojuist begonnen aan begeleid kamerwonen.

Maar gedeelde smart is halve smart. Wij trokken veel samen op en besloten een dagje naar Amsterdam te gaan. Wij voelden ons in het bonzend hart van de hoofdstad –waar in tegenstelling tot thuis wel alles mogelijk leek- als vissen in het water…
Tot het eind van de middag.

We waren alweer op weg naar het station toen we in de Kalverstraat door een vriendelijke man werden aangesproken. Of we misschien mee wilden doen aan een onderzoekje.

Wij waren de beroerdsten niet. Even later liepen we achter hem aan een groot gebouw binnen waar veel jongeren, allochtonen en fragiel-ogende mensen papieren zaten in te vullen. Overal lagen boeken en video’s met uitbarstende vulkanen en de titel ‘Dianetics’.

Ik begon een beetje te twijfelen aan de onafhankelijkheid van het onderzoek, maar welwillend als ik was, begon ik toch met het invullen van ellenlange vragenlijsten met gewetensvragen. Ik was wel anderhalf uur bezig.

Erik was veel eerder klaar. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hem een geanimeerd gesprek voeren met de meneer die hem zojuist had opgehaald om de resultaten door te nemen.
Niet lang nadat mijn formulieren waren ingenomen, werd ik ook opgehaald.

Een vriendelijke mevrouw met een sterk Amerikaans accent stelde wat oppervlakkige vragen. Over mijn woonplaats, of ik het leuk had in Amsterdam… om vervolgens een radicaal ander pad in te slaan:

“Maar, Gijs, luister: het gaat heel slecht met jou!”

De plotselinge ommezwaai deed me schudden op mijn grondvesten. Wat kregen we in hemelsnaam nou?! De vrouw deed er nog een schep bovenop:

“Je bent suïcide, Gijs. Wij willen je helpen.”

Ik wilde weg. Ik stond op en wilde gaan. Dwingend en met een priemende blik vervolgde de vrouw: “Ga zitten, Gijs. Je maakt me heel boos.”

Ze pakte een grafiek en begon te vertellen dat het de uitkomst van het onderzoek was en dat alles wees op een aanstaande suïcide. Ik voelde hoe een soort paniek zich van me meester maakte.

“Ik heb hier geen trek in. Ik ga.” Wist ik nog uit te brengen. Terwijl de vrouw nog dreigend op me inpraatte, draaide ik me om en liep weg. Opeens werd ze weer vriendelijk en riep me na: “Als je je nog bedenkt, ben je altijd welkom!”

Ik dacht nog niet over suïcide, maar ik voelde me wel vrij afschuwelijk na dit korte gesprek. Misschien had die mevrouw wél een punt… ik was per slot van rekening net van school gestuurd. Mijn ouders hádden de balen van me… Welke kant ging dit op?!

Erik kwam ook aanlopen. Zal je zien dat ze hem de hemel hebben ingeprezen, dacht ik. We liepen de trappen af, het pand uit. Erik zei geen woord. Ik zweeg ook. Bij de voordeur draaide Erik zich naar me toe en zei: “Ik ben een gevaar voor de samenleving!”

Ik barstte in een oorverdovend gelach uit. Erik kon het niet waarderen. “Wat sta je nou stom te lachen man. Het was een vreselijk gesprek!”

“Ik ben suïcide!” grijnsde ik. Hij kon er nog steeds de lol niet van inzien. “Maak er maar grapjes over”, mompelde hij. Pas toen hem duidelijk werd dat we alletwee de grond ingestampt waren, kon hij er een klein beetje om lachen.

Op weg naar het Centraal Station maakte de opluchting plaats voor woede. We waren met onze eigen antwoorden om de oren geslagen. Die antwoorden waren opgepompt en naar ons teruggesmeten. Het waren schoften! Als we niet samen waren geweest dan hadden we er nu misschien nog in geloofd.

De man had geprobeerd om Erik een self-helpvideo te verpatsen voor 270 gulden… Dat hij financiële problemen had, vond de man helemaal geen argument. “Het is een investering!” Had hij geroepen. Uiteindelijk was hij boos geworden en had hij gezegd dat Erik weg moest gaan…

Wij waren bij Scietology binnengeweest. Godzijdank maar even!